MENU dDH HOME

Kernwapens
Pleidooi Mr. E. Th. Hummels
rechtszaak tegen vredesaktivisten

dd. 28 oktober 1998

Onderstaande is de integrale tekst van het pleidooi dat Mr. E. Th. (Eric) Hummels uitsprak ten overstaan van de kantonrechter te Den Bosch.
Mr. Hummels voerde een ondersteunende verdediging van vijf vredesaktivisten, die op 2 oktober 1998 op vliegbasis Volkel een burger-inspektie uitvoerden naar de aanwezigheid van (illegale) kernwapens.

Pleitnotities

In deze zaak is het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk. Subsidiair zal ik het verweer voeren dat de materiele wederrechtelijkheid te dezer zake ontbreekt.

Nederland is lid van het NAVO-bondgenootschap. De NAVO heeft als strategie dat in voorkomend geval zo nodig als uiterste middel kernwapens worden ingezet tegen het volk van de aanvallende staat. Op grond van deze strategie zijn er kernwapenopslagplaatsen, ook in Nederland. Naar militaire usance wordt daar uiteraard zeer geheimzinnig over gedaan.

Het is een feit van algemene bekendheid dat kernwapens een gigantische werking hebben, dat ze geen onderscheid maken tussen combattanten en burgers, tussen kazernes en ziekenhuizen, tussen oorlogvoerende landen en neutrale staten enz. Kernwapens sparen niets.

In het geldende oorlogsrecht van de Haagse Conventies van 1907 waaronder het Landoorlogsreglement is uitdrukkelijk de verplichting opgenomen dat onder meer burgers, ziekenhuizen en neutrale staten moeten worden beschermd. Handelen in strijd met die verplichtingen levert oorlogsmisdaden op.

Ook behoort tot het geldende internationaal recht het verbod dat in een oorlogssituatie onnodig lijden wordt veroorzaakt. Het spreekt bijna vanzelf dat het inzetten van een kernwapen, zeker tegen het volk van de aanvallende staat, altijd ook dergelijk lijden veroorzaakt.

Het feit dat Nederland hierbij betrokken is, verontrust vele Nederlanders. Er is bij hen te dezer zake een verantwoordelijkheid voor de internationale gemeenschap, een individuele rechtsplicht die uitstijgt boven eventuele nationale rechtsplichten.

Als het al niet mogelijk is om de Nederlandse regering op dit punt de pas af te snijden, dan is het in ieder geval wel juridische en morele plicht om klokkeluider te zijn, zodat er meer bewustzijn en vooral politieke tegendruk ontstaat. Als men terzake niets doet en passief blijft en stilzwijgend meedoet met de acceptatie van deze strategie, wordt men medeschuldig, een willing executioner van deze extreem misdadige verdedigingsstrategie.

Er is hier bij deze strategie sprake van drie grote misdrijven:

  1. Samenspanning tot genocide, tot een misdrijf tegen de menselijkheid. Zie artikel 1 van de Uitvoeringswet genocideverdrag. Het vernietigen van een nationale groep, ook al is dat het volk van de aanvallende staat, is verboden.
  2. Een misdrijf tegen de vrede, zoals neergelegd in het Handvest van Neurenberg, zoals uitgewerkt in de jurisprudentie van het Internationaal Militair Tribunaal te Neurenberg, en overgenomen door de VN, thans behorend tot het dwingende internationale recht, het ius cogens.
  3. Samenspanning om oorlogsmisdaden te plegen. Niet alleen een aanvalsoorlog en het plannen daarvan is een oorlogsmisdaad. Ook het voorbereiden van een verdedigingsoorlog waarbij de regels van het oorlogsrecht worden geschonden valt onder dit verbod.
Dat hier inderdaad sprake is van de genoemde ernstige misdrijven valt ook te destilleren uit de vrij recente Advisory Opinion van het Internationaal Gerechtshof te den Haag d.d. 8 juli 1996.

In essentie komt de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof op het volgende neer:
Ik wijs op het dispositief van de Advisory Opinion (paragraaf 105). In onderdeel 2 daarvan worden onder D en E de volgende conclusies gegeven:

D.
Een bedreiging met of gebruik van kernwapens moet zowel verenigbaar zijn met de vereisten van het internationaal recht dat van toepassing os gedurende gewapend conflict, in het bijzonder de vereisten van de beginselen en regels van humanitair recht, als ook met specifieke verplichtingen op grond van verdragen en andere toezeggingen die uitdrukkelijk handelen over kernwapens.

E.
Uit de bovengenoemde vereisten volgt dat de bedreiging met of het gebruik van kernwapens in het algemeen in strijd zou zijn met de regels van internationaal recht die van toepassing zijn gedurende gewapend conflict, en in het bijzonder met de beginselen een regels van humanitair recht.

In de paragrafen 85 en 86 brengt het Internationaal Gerechtshof tot uitdrukking dat het humanitair oorlogsrecht van toepassing is op de inzet van kernwapens, tenzij in paragraaf 87 door het Internationaal Gerechtshof het belang van de zogeheten Martens- clausule nog eens wordt onderstreept, de clausule die inhoudt dat de burgerbevolking en de strijdende partijen te allen tijde de bescherming genieten van van de beginselen van het internationale recht, zoals deze voortvloeien uit de tussen de volken gevestigde gebruiken, de wetten van de menselijkheid en de eisen van het publieke rechtsbewustzijn.

Voorts wordt in de paragrafen 88 en 89 door het IHJ bevestigd dat het beginsel van neutraliteit dient te worden gerespecteerd in alle internationale gewapende conflicten en ongeacht de wapens die worden gebruikt, zodat gebruik van nucleaire geweldsmiddelen niet mag leiden tot:
'grensoverschrijdende schade veroorzaakt aan een neutrale staat door het gebruik van een wapen in een oorlogvoerende staat.'

Het is onder meer in dit licht dat de conclusies D en E van het dispositief dienen te worden gelezen. Dat houdt in dat ook in het extreme geval van zelfverdediging, waarin het overleden van de staat als zodanig op het spel staat, mogelijke inzet van kernwapens volledig dient te voldoen aan de normen van het humanitaire recht en gen inbreuk mag maken op het beginsel van neutraliteit.

Aangezien het Internationaal Gerechtshof in conclusie E heeft aangegeven dat gebruik van kernwapens in het algemeen niet verenigbaar is met het oorlogsrecht (welke conclusie dient te worden gelezen in het licht van paragraaf 95, waarin tot uitdrukking wordt gebracht dat het nauwelijks denkbaar is dat gebruik van kernwapens in overeenstemming met het oorlogsrecht zou kunnen plaatsvinden), is het uiteraard zo dat de laatste zin van conclusie E niet zo kan worden uitgelegd dat het IHJ de mening zou zijn toegedaan dat inzet van kernwapens wel rechtmatig zou zijn in het geval van een extreme situatie van zelfverdediging waarbij de fysieke vernietiging van de samenleving op het spel staat.

Een meerderheid van de rechters kon ook niet ten aanzien van die extreme situatie komen tot bevestiging van de rechtmatigheid van het gebruik van nucleaire geweldsmiddelen. Hierbij dient overigens te worden bedacht dat het niet alleen gaat om de zeven rechters die voor conclusie E van het dispositief hebben gestemd, maar ook om drie van de tegenstemmers, aangezien zij zich - zoals blijkt uit hun bij de Advisory Opinion gevoegde individuele opvatting - op het standpunt stelden dat onderdeel E niet ver genoeg ging omdat het gebruik van kernwapens naar hun oordeel altijd in strijd is met het recht.

Het is dan ook volkomen begrijpelijk dat de President van het Internationaal Gerechtshof in zijn individuele opvatting er op wijst dat het dispositief van de Advisory Opinion op geen enkele manier zo mag worden geinterpreteerd dat er nog een kleine mogelijkheid zou bestaan om te komen tot het oordeel dat inzet van kernwapens rechtmatig zou zijn.

Voor het goede begrip wil ik hier nog het volgende aan toevoegen. Zoals reeds gezegd, betekent het feit dat het Internationaal Gerechtshof niet tot een eindoordeel is kunnen komen omtrent de vraag naar de rechtmatigheid van het gebruik van kernwapens in de extreme situatie van zelfverdediging waarin het overleven als zodanig van een staat in het geding is, in het geheel niet dat daardoor afbreuk zou worden gedaan aan het oordeel van het Internationaal Gerechtshof dat gebruik van kernwapens in het algemeen onrechtmatig is.

Ik wil benadrukken dat een uiterst beperkt en geisoleerd gebruik van kernwapens waarvan het IHJ niet met zekerheid kan zeggen dat het noodzakelijkerwijs leidt tot inbreuk op de normen van het recht dat van toepassing is ten tijde van gewapende conflicten, bepaaldelijk niet de enige mogelijke wijze van inzet van nucleaire massavernietigingsmiddelen is die is voorzien in de vigerende NAVO-strategie. In ieder geval valt de inzet van kernwapens op het volk van de aanvallende staat in geen enkel opzicht te kwalificeren als een dergelijk uiterst beperkt en geisoleerd gebruik van kernwapens.

De Nederlandse regering is nog steeds het standpunt toegedaan dat kernwapens mogen worden ingezet tegen het volk van de aanvallende staat. De Nederlandse regering accepteert een strategie waarin overeenkomstig dit standpunt een verdedigingsconcept is uitgewerkt en wordt gepraktiseerd. Dit betekent dat Nederland in extreme mate nodig heeft dat er inspectieteams komen die erop toezien wat er gaande is, net zoals dat geschiedt op grond van verdragen of resoluties van de VN-Veiligheidsraad.

Vooruitlopend op de komst van dergelijke, helaas noodzakelijke, officiele inspectieteams is cliente als burger-inspectrice het betreffende erf opgegaan.
Dit mag niet door een overheid, waarvan de Officier van Justitie hier toch de vertegenwoordiger is, worden gecriminaliseerd.

Het Openbaar Ministerie dient op genoemde gronden te dezer zake het recht tot strafvordering te worden ontzegd.

In ieder geval ontbreekt de materiele wederrechtelijkheid. Wat cliente heeft gedaan is juist uitermate rechtmatig en dient ter bescherming van de internationale rechtsorde die de Nederlandse regering op het punt van kernwapens maar niet wil aanvaarden.

w.g.

W.Th. Hummels, raadsman


menu | dDH